maandag 21 januari 2013

Schaatskoorts (Jaargang 2)

Na tot nu toe nogal laffe winter, kwamen de temperaturen een dag of tien geleden eindelijk eens lekker onder het nulpunt. Zoals te doen gebruikelijk bij die temperaturen, brak er vooral in het noorden van het land weer een ouderwetse schaatskoorts-epidemie uit. Begin vorige week gingen in het noorden, met dank aan het uitblijven van sneeuw, de ijsbanen al open en eind vorige week was ook het eerste natuurijs betrouwbaar genoeg om op te schaatsen. Overal werden schaatsen uit het vet, mutsen uit de kast en chocomel uit de kelder gehaald.

In tegenstelling tot vorig jaar, toen al het ijsplezier precies in mijn vakantie viel (1, 2, 3, 4, 5), moest ik dit jaar de eerste dagen van de pret aan mij voorbij laten gaan. Gelukkig kon ik zondagmiddag, tussen bandrepetitie en diner door, eindelijk het ijs op. In de Westereender Mieden (die zien er zonder vorst zo uit) was het een drukte van belang. Door het uitblijven van sneeuwval in de afgelopen week was het ijs prachtig donker en stevig. Omdat de Mieden bij vorst fungeren als vaste hangout van natuurijslievend Westereen en omstreken was iedereen - van voorganger tot scholier, van vishandelaar tot webdesigner (echt waar) op het ijs te vinden. En dat leverde, naast schaatsplezier, ook veel gezelligheid en toevallige ontmoetingen op.

Wie het ijs betrad aan de kant van Zwaagwesteinde, moet dat als een grote uitdaging hebben ervaren. Vanuit het noorden stond een stevige, ijskoude wind. Schaatsers die niet zo stevig in hun schaatsen stonden, begonnen te twijfelen of hun expeditie wel echt de moeite waard was. Maar, wie de anderhalve kilometer in de richting van Driesum wist te bedwingen, werd beloond met een zeer comfortabele terugreis. Naast hand-in-hand schaatsen kon die ook worden aangewend om gewoon lekker hard te schaatsen.

Terug aangekomen aan de kant van Zwaagwesteinde, was daar van alles te doen. Zo kon men achter weggewaaide eigendommen aan hollen, proberen de hond te leren schaatsen, een groepsfoto maken of iets te drinken halen bij de geïmproviseerde koek-en-zopietent. Die koek-en-zopietenten zijn opvallende dingen. Rond de polder in de Mieden stonden drie exemplaren - eentje was gevestigd in een tuinhuis op een aanhangwagen, eentje in een oude caravan en eentje in een houten geraamte met bouwzeil er omheen. Huismoeders verkopen er pakjes drinken van de Aldi, koken rookworsten, bakken hamburgers, verkopen er zelf gezette filterkoffie en verdienen zo in een weekend tijd een klein fortuin bij.

Wie de koffie op had, de verleiding had weten te weerstaan, of gewoon geen zin had in vieze koffie, vervolgde zijn weg weer in de richting van Driesum. Men verwonderde zich over het ijs. Het is tenslotte maar een vreemd verschijnsel. Normaal gesproken is het water het domein van eenden en andere watervogels, maar zodra het een tijdje beneden het nulpunt is bevriest het water en kan het het gewicht van honderden schaatsers dragen. Achter de brede rug van de voorganger, verbaasde men zich ook over de wind. Onzichtbaar, maar niet te missen. Terwijl men de omstandigheden overpeinsde was het keerpunt al weer daar en kon men genieten van rugwind, rietkragen en andere natuurverschijnselen. Zo gaat dat, op het ijs.

Toen na zes zulke rondjes de duisternis in begon te vallen, bleek dat bijna iedereen al naar huis was gegaan. Als laatste van alle liefhebbers zochten we onze fietsen op, die nog steeds tegen het hek van het aangrenzende weiland stonden geparkeerd. Met de vermoeide benen vingen we de fietstocht naar huis aan.

zaterdag 22 september 2012

Haren

Dat jullie dit lezen, betekent dat jullie de septemberrellen in Haren hebben overleefd. Waarschijnlijk door gewoon niet naar Haren te gaan. Mijn complimenten. Als de gebeurtenissen van gisteren twee dingen duidelijk hebben gemaakt zijn dat wel (1) dat burgemeesters en anders verantwoordelijke autoriteiten (bijvoorbeeld in Haren) dikwijls uitblinken in besluiteloosheid en naïviteit en (2) dat van de kracht en impact van de nieuwe media door autoriteiten nog steeds niets wordt begrepen. Terwijl ondertussen toch wel de nodige expertise en voorbeelden van hoe het wel en niet moet voorhanden zijn.

Als ondersteuning voor mijn tweede stelling, geven de autoriteiten en de oude media de nieuwe media en masse de schuld van de consternatie. De burgemeester was er (de rellen waren nog volop bezig) als de kippen bij om facebook de schuld van alle ophef te geven. Vreemd argument, want maakt 'facebook' een event aan? Stapt 'facebook' in de trein? Gooit 'facebook' met bierflessen? Wat mij betreft is er één medium dat geen blaam treft, en dat is facebook. Wie wel blaam treffen, zijn de oude media (dode boom en vooral tv). Zonder alle media-aandacht had het feest nooit zo uit de hand kunnen lopen.

Laat ik voor de zekerheid even voorop stellen dat het bespottelijk is dat er zoveel mensen naar Haren zijn afgereisd. Iedereen die daar niets te zoeken had had daar niet moeten zijn. Maar men kwam toch. Dat kon je op je klompen aanvoelen. De aantallen niet, maar je wist dat er mensen gingen komen. Met die wetenschap had de burgemeester twee dingen kunnen doen: (1) zelf een feest organiseren of (2) Haren afsluiten. Hoewel ik er van overtuigd ben dat het eerste alternatief best mogelijk was geweest (waar een wil is is een weg en hoe mooi wil je de citymarketing hebben), zag hij dat niet zitten. Dan het tweede. Haren heeft zeven toegangswegen en een spoorlijn. Hoe ingewikkeld kan het zijn om van iedereen die het dorp in wil even na te trekken wat diegene daar te zoeken heeft? Als je hierbij pragmatisch te werk gaat kun je het aantal onruststokers dat toch in het dorp belandt, op twee handen tellen. Op basis van de noodverordening had de burgemeester iedereen rechtsomkeert kunnen laten maken.

Maar de burgemeester deed geen van beide. De burgemeester blonk, zoals zovele (lokale) machthebbers, uit in naïviteit en besluiteloosheid. De burgemeester liet van tevoren geen gelegenheid onbenut om de verwachte problemen te bagatelliseren en kennelijk was dat niet alleen in de media. Toen Haren om een uur of negen eindelijk vol was gelopen met bier drinkende jeugd en potentiële onruststokers (signalement: man, 16-18 jaar, petje, et cetera) sloeg de vlam in de pan. Goh, dat hadden we niet verwacht. Iedereen weet dat waar tienduizend jongeren zonder duidelijk doel bijeen zijn, problemen komen. Zeker in combinatie met alcohol. Maar burgemeester Bats verkeerde nog steeds in de veronderstelling dat alle jeugd om half elf keurig het laatste bierflesje in de prullenbak zou deponeren en zich in rust naar het station zou begeven. Uit de evaluatie (gereed medio 2014) zal ongetwijfeld blijken dat de autoriteiten niet berekend waren op zo'n massale opkomst. De loco-burgemeester gaf het dezelfde avond in KvdB al toe: "Als we het van tevoren geweten hadden, hadden we meer maatregelen genomen". Goed, ik had ook geen 20.000 man verwacht. Maar er had een plan moeten zijn. En dat is minder gek dan het klinkt, want de meeste gemeenten hebben standaard plannen klaar liggen voor (chemische) aanslagen op bedrijven, massale volksoplopen, aardbevingen, et cetera. Al dan niet naar aanleiding van actuele dreigingen. Maar Haren dus niet.

Who to blame? In elk geval niet de nieuwe media en natuurlijk niet Merthe (gefeliciteerd met je verjaardag trouwens nog). Wie wel? In de eerste plaats uiteraard iedereen die gisteren in Haren was maar daar niet moest zijn. Laten de onruststokers onder het publiek zich maar voor de rechter verantwoorden. In de tweede plaats de autoriteiten, op zeker. In de derde plaats de oude media. Die hebben een katalyserende rol gespeeld, opgestookt door de autoriteiten. Daar waar autoriteiten en oude media druk bezig zijn de nieuwe media de schuld van alle hectiek te geven, kunnen ze beter de hand in eigen boezem steken.

Want als gisteren één ding duidelijk is geworden, dan is dat (1) dat er nog heel veel mis is met het lokale bestuur in Nederland en (2) dat de nieuwe media voor besluitvormend Nederland een totaal onbegrepen fenomeen is.

donderdag 20 september 2012

Zelfpromotie

Met medelijden las ik deze week een oude Volkskrant-column van Eveline Tonkens. De titel van het stuk (‘Liever een hoofddoekje dan een siliconenborst’) is enigszins misleidend. Als Tonkens in de column hoofddoekjes had willen bekijken vanuit het perspectief van vrouwenonderdrukking, had ik daar best open voor gestaan. Als zij een vuist had willen maken tegen het massale aanbod van borstvergrotingen, had ik daar ook welwillend kennis van willen nemen. Beide zijn echter niet het geval. De inhoud van het stuk laat zich het best omschrijven als een rabiaat feministische haatverklaring aan de hele West-Europese maatschappij. Tonkens kan buiten haar voordeur geen blik opslaan, of zij wordt geconfronteerd met haar eigen onvolkomenheid. Iedereen schreeuwt haar toe dat zij niet aan de standaarden van de maatschappij voldoet. Zij is 'gedegradeerd tot monster'. Aldus Tonkens. Tenzij zij DSM IV-gediagnosticeerd is, ligt de werkelijkheid een stuk genuanceerder.

Onlangs keek ik de VPRO-documentaire Alles Wat We Wilden. De documentaire toont vier ambitieuze jongeren, die ondanks hun leeftijd al flink met zichzelf in de knoop zitten. Achter de glansrijke en vrolijke kant van hun bestaan, gaat een wereld van sociale vergelijking en angst om vergeten te worden schuil. De jongeren, niet ouder dan 30, gebruiken alle vier antidepressiva en kunnen niet op een normale manier met arbeid bezig zijn. Als een van de oorzaken voor hun depressieve staat noemen zij de grote rol van zelfpromotie en sociale vergelijking via sociale media en weblogs.

Tonkens en de geportretteerde jongeren hebben een overeenkomst. Beide zijn niet in staat om de weergave van feiten via reclame en media te onderscheiden van de werkelijkheid. Tonkens schrijft dat zij wel zou willen dat bushokjes vol hingen met posters van mannelijke geslachtsdelen, om te kijken wat dat met het zelfbeeld van mannen zou doen. Zij realiseert zich niet dat dit in principe al gebeurt: regelmatig zie ik in de (sociale) media foto's voorbij komen van mannen in nieuwe boxershorts of zwembroeken, opvallend genoeg altijd met egaal gebruinde huid, een stevig wasbordje en studentikoze kapsels. Moet ik u vragen hoeveel overeenkomsten deze foto's hebben met de gemiddelde man? Nul komma nul natuurlijk. En dat weet iedereen.

Hetzelfde geldt voor onze presentatie Facebook en Twitter. Op de sociale media hebben we allemaal een boeiend, flitsend leven. Natuurlijk is er wel eens plaats voor een sneu bericht, maar niet te vaak. Is dat erg? Nee. Niemand wordt graag geconfronteerd met de ellende van een ander. En is dat erg? Ook niet. Iemand die verdriet heeft, heeft hopelijk in zijn echte vrienden- en kennisenkring voldoende sociaal kaptiaal om dat verdriet op te vangen. Zoals het hoort. Daarna kan de zelfpromotie op de sociale media weer verder gaan. De sociale media, met name Facebook, zijn bedoeld om mooie momenten van het leven met elkaar te delen en te genieten van elkaars blijheid.

Iemand die daadwerkelijk denkt dat zijn vrienden op Facebook alleen leuke en boeiende dingen doen, mag met recht naïef worden genoemd. Hetzelfde geldt voor iemand die denkt dat de halfnaakte dames en heren die in de bushokjes hangen de standaard zijn die de maatschappij aan jou stelt. Er is maar iemand die jou een standaard mag stellen, en dat ben jij zelf. Iemand als Tonkens, die niet buiten de deur durft te komen zonder allerlei camouflerende voorzieningen te treffen, ontbreekt iedere vorm van realiteitszin. Met zulk gedrag doet ze maar één persoon tekort: zichzelf. Meelijwekkend.

donderdag 28 juni 2012

Vakantie

"Lekker hè, straks vakantie" zei ik twee weken geleden tegen een jaargenoot. "Ja mooi man", zei hij. "Wel genieten hè." "Ja, zal ik doen, antwoordde ik." "Ja, maar ook echt doen hè", zei hij. En zo is het. Want na veertig weken serieus hard werken is het makkelijk om te vervallen in een ritme van uitslapen tot twaalf uur, 's middags filmpjes kijken op Dumpert en Youtube en muziek te maken, 's avonds wat rond te hangen met vrienden en daarna weer te gaan slapen. Doe dat tien weken lang en je vakantie is voorbij gegaan zonder dat je iets van waarde hebt gedaan.

Om zo'n scenario te voorkomen heb ik voor mijzelf een heuse to do-lijst opgesteld. De redelijk eenmalige dingen als 'kamer uitmesten' (gisteren gedaan), 'drumstel opbouwen' (ergens vorige week al afgevinkt) en 'fietsbel op fiets zetten' (ook done) zijn inmiddels allemaal al doorgestreept. Daarnaast bevat de lijst ook nog een aantal structurele dingen. Ten eerste wil ik het hardlopen weer oppakken. Vorig jaar liep ik een halve marathon, nu loop ik met moeite de helft. Ten tweede: ik wil meer van deze stukjes tikken. Tijdens collegeweken kom ik er vaak niet aan toe, maar ik doe het graag en het streelt me dat ze nog worden gelezen ook. Ten derde wil ik de Groundhopsectie van deze site up to date-maken. Ten vierde: Ik wil veel boeken lezen. Tijdens het afgelopen jaar heb ik een redelijk respectabele stapel literatuur met het label 'voor in de vakantie' gebouwd, hoewel ik een aardig deel van die stapel al uit heb voor de vakantie goed en wel begonnen is. Daarom heb ik vandaag voor de zekerheid De Slegte nog maar even bezocht. Ten vijfde, tenslotte wil ik zo veel mogelijk koffie drinken met iedereen die dat maar wil.

Gelukkig heb ik alle tijd. Ik word pas vanaf 3 september weer op de Universiteit verwacht. Tot die tijd verblijf ik twee weken op Sardinië, een week als begeleider op een kinderkamp en bijna een week als parttime-medewerker op het Flevo Festival.  Daarnaast ben ik een uur of 15 per week aan het werk en moet ik verplicht een handvol barbecues bezoeken (erg vervelend). Er moet voldoende tijd overblijven om te hardlopen, stukjes te tikken, boeken te lezen, dagelijks een echte papieren krant te lezen en vooral heel veel koffie te drinken.

Moraal van het verhaal: maak plannen voor je vakantie en zorg dat je geniet van dingen die je echt wilt doen.  We zullen in september wel zien wat er bij mij van terecht is gekomen.

dinsdag 26 juni 2012

Bezit

Ik bezit maar weinig. In geld gerekend is mijn rijbewijs het duurste bezit wat ik heb. Op een goede tweede plaats volgt mijn drumstel, met wat toebehoren. Ik bezit ook een cajòn en een basgitaar met een nep Orange-combo (onder op de foto), hoewel die bas eigenlijk permanent uit logeren is bij @ESWolters. Als de inhoud van een voorwerp meetelt in de waardebepaling is mijn boekenkast (links, inclusief CD's) ook best een investering geweest. Over kasten gesproken, ik heb ook een kledingkast. Met daarin een stuk of zeven broeken, een paar vesten, vijf overhemden en een stapel shirts. Een paar planken (rechts) in mijn kamer bevatten herinneringen aan buitenlandse reisjes, die ik als ervaring ook maar even tot bezit reken (1, 2, 3, 4 en de eerste die alle vijf landen goed in de comments zet wint gratis eeuwige roem). Ik heb ook een tent trouwens. Dat is eigenlijk al mijn bezit. Alles wat van enige materiële waarde is, tenminste. 

Dat ik weinig bezit is geen wonder, want ik ben al vijf jaar student (maak je geen zorgen Halbe, ik doe een zesjarig programma). En studenten zijn arm, aldus het klassieke beeld. Dat krijg je met collegegelden van 1713 euro. Keer vijf, tot nu toe. Ik bezit ook een laptop (midden). Het is mijn tweede. Ik heb ook een telefoon. Een SGS2. Mijn vijfde, als ik het goed tel. Ik bedenk me dat ik ook een fiets heb. Mijn hoeveelste dat is weet ik niet. Maar goed, dat is het dan echt wel qua bezit. 


Mijn ouders hebben trouwens sinds gisteren een sponsorkindje. Ze heet Cristina, komt uit Cluj-Napoca in Roemenië en is vijf. Haar vader is vijf jaar ouder dan ik en is vuilsorteerder van beroep. Ze woont samen met haar ouders en haar zusje van één in een houten huisje zonder gas, water en licht. In het document dat de school over Cristina bijhoudt valt te lezen dat ze enkele dagen afwezig is geweest omdat ze geen kleding had. Verder is er over haar niet veel bekend. Ze zal wel met poppen spelen. Zou ze al kunnen fietsen? 


Weinig bezit blijkt een relatief begrip te zijn. 

donderdag 31 mei 2012

Klaagcultuur


Nu de examens bijna ten einde lopen komt ook de jaarlijkse stroom nieuwsberichten rondom het LAKS weer ten einde. Voor het eerst in jaren bleven berichten over recordaantallen klachten uit. Maar ook dit jaar werd laks studeergedrag volop gecompenseerd door telefoontjes naar het LAKS. Of dacht u echt dat iedere van de tienduizenden klagende scholieren feitelijke onjuistheden in de tentamens had gevonden?

Van examens waar veel over wordt geklaagd, gaat de normering omhoog. Een hoge normering is in het voordeel van de scholieren. Scholieren roepen elkaar op om te gaan klagen, want dan zal hun cijfer stijgen. Tenminste, dat is hun redenering. Deze gaat maar ten dele op, want natuurlijk is het geen vaststaand feit dat een bepaald aantal klachten leidt tot een bepaalde stijging van het examencijfer. Dit besef lijkt bij de scholieren echter niet aanwezig.

Een van de wetten van de pedagogiek zal ongetwijfeld luiden dat wanneer bepaald gedrag wordt bekrachtigd, een persoon meer van dat gedrag gaat vertonen. In het geval van het LAKS wordt klagen beloond in de vorm van hogere cijfers, zo meent men. Zo wordt er dus een signaal afgegeven dat klagen helpt. En dat signaal wordt door schoolgaand Nederland zonder enige vorm van ruis opgenomen.

Op deze manier verschuift de locus of control van schoolgaand Nederland langzamerhand van intern naar extern. Waar het niet halen van examens voorheen het gevolg was van een slechte voorbereiding, is het nu het gevolg van alles behalve dat. Op feestjes moeten de conversaties ongeveer als volgt gaan: “Hoe gingen je examens?” “Mwa, gezakt.” “Oh, had je niet goed geleerd?” “Nee, alle examens bevatten fouten.”

Get real kinders, dat neemt niemand serieus. Vraag maar eens aan je vader of moeder hoe het vroeger zat. Wie het toen waagde zulke onzin uit te kramen werd met blote voeten op bed gestuurd. De sociale omgeving legde sterk de nadruk op het halen van goede cijfers. Toen het eind jaren ’90 economisch goed ging met Nederland ontstond de zesjescultuur. En nu, nu de afbraak van intellectueel jong Nederland bijna voltooid is, de klaagcultuur.

Met als gevolg? De teloorgang van de waarde van het middelbare-schoolsysteem en van het hoger onderwijs. Ongemotiveerde kinderen zonder enige vorm van intrinsieke motivatie halen door collectief te klagen een diploma, terwijl op basis van hun prestaties gerust de vraag mag worden gesteld hoeveel recht zij daar nu eigenlijk op hebben.

Deze kinderen stromen door naar het MBO of HBO. Door matige controle op motivatie en met precies genoeg inspanning halen ze daar, al dan niet met enige vertraging, hun diploma. Iedereen kent in zijn kennissenkring wel een aantal zulke mensen. Deze mensen komen vervolgens op de arbeidsmarkt, kunnen precies niks en belanden vervolgens op een veel lagere functie dan hun op basis van hun diploma verwacht zou worden. Ziedaar: diploma-inflatie.

Gelukkig gloort er licht aan de horizon. Verwacht wordt dat dit jaar 18.000 scholieren extra zullen zakken, ten opzichte van vorige jaren. Halbe Zijlstra heeft gedurende zijn korte carrière als staatssecretaris weinig goed gedaan, maar de hervorming van de exameneisen is prijzenswaardig. De eisen aan het middelbare school-diploma gaan omhoog en de aansluiting bij het hoger onderwijs wordt verbeterd. Om een diploma te krijgen moet weer hard worden gewerkt in plaats van geklaagd. 

En dat is niet meer dan terecht. Want onthoud dit maar, kinderen van vandaag: Je wordt succesvol door hard te werken, niet door te klagen. Voor de harde werkers liggen de kansen voor het oprapen. Voor de klagers ligt er maar één kans voor het oprapen: de kans op in de bijstand te raken. 

vrijdag 20 april 2012

Verliezen

Ik geef het graag toe: ik heb een grafhekel aan verliezen. Ik bezoek nog liever de tandarts, ga liever naar de IKEA en kijk liever GTST dan dat ik ergens verlies. Met wat precies maakt niet uit. Verliezen bij een potje monopoly is minstens even erg als verliezen bij het zaalvoetbal. Voor alle duidelijkheid: daarmee bedoel ik niet dat verliezen bij zaalvoetbal mij niets uitmaakt. Integendeel.

Gelukkig verlies ik zelden. Met zaalvoetbal worden we dit jaar kampioen. We hebben in het hele seizoen twee keer verloren - beide keren van een team wat (die dag) beter was. (Dat is ook meteen de enige omstandigheid waarin ik een heel klein beetje met een nederlaag kan leven.) Met het tennis heb ik een goede moyenne, zeker in het enkelspel. Bij het hardlopen ben ikzelf mijn enige tegenstander. En ik verlies maar zelden van mezelf. Met monopoly ben ik zeker sinds afgelopen zondag ongeslagen. Met bandwedstrijden hebben we met REKKER (like ons!) afgelopen maanden twee mooie zeges gehaald en bij de Kleine Prijs van Fryslân werden we pas in de halve finale uitgeschakeld. Na tentamens vergelijk ik mijn resultaten graag met de rest van het cohort. Eigenlijk benader ik alles graag als wedstrijd. Gisterochtend speelde ik voor de grap tafeltennis en biljart (de een speel ik nog minder vaak dan de ander) en het deed me deugd bij beide te winnen.

Als ik verlies bij het zaalvoetbal wil ik zo snel mogelijk naar huis. Het kantine-ritueel kan mij dan gestolen worden. Als ik verlies met tennis baal ik als een stekker. Hetzelfde geldt voor monopoly, tafeltennis of biljart. Als ik verlies was er dus iemand beter dan ik. Nog erger wordt het als vrienden na een spelletje graag benadrukken de winnaar te zijn (dat zijn vaak de eendagsvliegen, geluksvogels en marginale spelers, maar goed). Het kan ook ronduit ongezellig worden wanneer teamgenoten meteen na een wedstrijd al vergeten lijken te zijn dat er verloren is. Dat er wanprestatie is geleverd. Het lijkt me niet meer dan billijk om even stevig te balen na een verliespartij. Want de verliezer doet even niet meer mee. De verliezer heeft gefaald.

Slecht tegen je verlies kunnen is geen slechte eigenschap. Juist het tegenovergestelde daarvan, denk ik. Als je geen gevoel hebt bij verliezen, mis je dan niet de motivatie, wilskracht en getergdheid om dat de volgende keer te voorkomen? Had je dan van tevoren wel eisen aan jezelf gesteld? Wil je überhaupt wel ergens goed in zijn? Als je verliest, mag de ellende pas verdwijnen als je weet hoe je de volgende keer kunt winnen. Wat dat betreft is verliezen ook leerzaam. Basketballer Michael Jordan zei: "Ik heb in mijn carrière meer dan 9000 shots gemist. Ik heb bijna 300 wedstrijden verloren. Bij 26 gelegenheden had ik het winnende punt kunnen maken, maar miste ik. En dat is precies de reden waarom ik zo veel succes heb gehad." Je moet lessen trekken uit verloren wedstrijden. Je wordt er beter van. En toch houd ik er een schijthekel aan.

dinsdag 14 februari 2012

Het niet-bestaande antisociale gedrag van de mobiele telefoon-generatie

Al een hele tijd loop ik rond met het idee te een stukje te schrijven over het vermeende antisociale gedrag de mobiele telefoon-generatie. Regelmatig wordt er in mijn nabijheid een klaagzang afgestoken over wordfeudende mensen in een café, whatsappende mensen in de kerk en smsende mensen op feestjes - dit alles terwijl zij in gesprek zijn of zouden moeten zijn met iemand die daadwerkelijk bij hen in de buurt zit of staat. Recentelijk was het weer zo ver: op de verjaardag van een van mijn ouders stak een besnorde vijftigplusser een omvangrijk betoog af over hoe slecht het was gesteld met de sociale vaardigheden van de gemiddelde (jonge) gesprekspartner. Alle licht-kalende leeftijdsgenoten rond hem knikten en mompelden instemmend. Ik zei niets maar dacht er het mijne van.

Want laten we eerlijk zijn: hoe vaak is u overkomen dat iemand intensief aan het wordfeuden was terwijl u met hem sprak over de zin van het leven en de prijs-kwaliteitsverhouding van het warenhuis op de hoek? Of dat iemand whatsappte met zijn vrienden over koetjes en kalfjes terwijl u met hem de impasse in uw relatie of de problemen op de werkvloer besprak? Ik was dus van plan te betogen dat op dit gebied iedereen elkaar voornamelijk napraat, zonder dat men hier zelf negatieve ervaringen mee heeft. Ik kan mezelf niet voorstellen dat iemand tijdens een gesprek zijn telefoon zou pakken om te e-mailen, smsen, whatsappen of te wordfeuden terwijl 'ie dus in gesprek is met iemand anders. (Hier geldt natuurlijk dat de uitzondering de regel bevestigt.)

Edoch, onlangs overkwam mij drie keer in korte tijd de situatie waarvan ik daarvoor veronderstelde dat die bijkans hypothetisch was. Ik vertelde iemand over recente ervaringen, en terwijl ik dat deed keek diegene geen seconde op van het scherm van zijn mobiele telefoon. Toen ik me stil hield omdat ik vermoedde dat ik alleen tegen de muren sprak, mompelde hij 'ja?' - terwijl hij nog steeds niet op- of omkeek van zijn digitale bezigheden. In een andere situatie stelde iemand mij een vraag, en terwijl ik die beantwoordde las diegene een binnenkomend bericht en deelde dat met een derde aanwezige. In de derde situatie was iemand (midden in de nacht, dus veel mensen waren er vast niet meer wakker) zeker een half kwartier bezig met haar mobiele telefoon. Ik vroeg wat diegene aan het doen was, en gekscherend vroeg ik 'geen wordfeud zeker?' Hoewel dat als een grapje bedoeld was, antwoordde diegene bevestigend. Het waren eigenlijk absurde situaties. Wellicht viel het mij ineens op omdat ik net daarvoor een paar dagen tussen mensen verbleef waarvan niemand met zijn telefoon speelde - en zeker niet in nabijheid van anderen. Wellicht was het gewoon toeval.

Ik blijf er bij dat de klachten van de zeurkousen van deze maatschappij over antisociaal gedrag grotendeels napraterij zijn - en slechts in een minderheid van de gevallen berusten op (langdurige) eigen ervaring. Maar het komt dus wel degelijk voor en het is ronduit vervelend. Onnodig ook, want als iets echt zo dringend is dat het een onmiddellijke reactie vergt dan moet u gewoon de kamer verlaten en degene aan de andere kant van de digitale lijn opbellen. Zo lang zo'n actie niet nodig is kan een reactie best een paar minuten wachten en dient de 'echte' gesprekspartner alle aandacht te krijgen. Gelukkig heeft een grote meerderheid van de mensen dat best in de gaten (en anders bij dezen).

zondag 12 februari 2012

Schaatskoorts (5, slot)

De schaatskoorts die begin vorige week in volle hevigheid heerste in Nederland zakt langzaam weer af. Gisteren en vandaag schaatsten nog enkele honderden liefhebbers de elfstedentocht, niet allemaal even succesvol. Liefhebbers, diehards en studenten uit den verre (die alleen 's weekends in it heitelân zijn) schaatsten hun laatste rondjes, nog net voordat vanmiddag de dooi intrad. Piet Paulusma bergt de weerkaarten met negatieve temperaturen voorlopig op en Wiebe Wieling gaat weer over tot de orde van de dag. Sportzaken komen weer toe aan het verkopen van andere artikelen dan schaatsen (de bazen trekken nog twee dagen uit voor het tellen van de flappen), de supermarkten dumpen de laatste voorraden chocomel, de SGP (&achterban) halen opgelucht adem omdat heidense praktijken voorkomen zijn, kantinetijgers happen de laatste rookworst weg en Unox kan een miljoenmiljard mutsen weer opbergen.

We kunnen wel concluderen dat de Elfstedentocht er niet meer in zit deze winter. Waar vorige week iedereen, inclusief ondergetekende, goede hoop hadden dat het begin deze week weer zou gaan vriezen, bleek gisteren definitief dat dat niet gaat gebeuren. Vandaag trad de eerste dooi in en vanaf dinsdag of woensdag is het niet meer vertrouwd om op natuurijs te schaatsen. En dus bleken de tranen van Erben Wennemars, Erik Hulzebosch en Mark Tuitert in DWDD terecht. We waren er zo dichtbij. Wie weet hoe lang het duurt voordat de rayonhoofden weer bij elkaar worden geroepen. Ik hoop met alles wat in mij is dat dat niet nog eens 15 jaar duurt. Gelukkig steunen de statistieken de hoop dat het binnenkort weer eens zo ver is: Gemiddeld vindt er eens per 6,3 jaar (S = 5,7, N = 14) een Elfstedentocht plaats. (Voor de liefhebbers: op basis van een 95%-betrouwbaarheidsinterval zou er dan vanaf 1997 bekeken vóór 2013 weer een tocht der tochten plaats moeten vinden, uitgaande van gelijke omstandigheden vanaf N = 1). We zullen het zien!

In de tweede helft van vorige week had ik het voorrecht om even te proeven van de ijspret in de rest van Nederland. Op donderdag stond ik op de scherpe ijzers op de Amsterdamse Rozengracht. Met dat ik "op de scherpe ijzers stond" is ook meteen alles gezegd: het was (bijna) nergens vertrouwd om onder de bruggen door te schaatsen, dus het plezier was beperkt tot schaatsen van brug naar brug - en terug. De ijskwaliteit was (vergeleken met Fryslân) waardeloos, maar dat is geen wonder gezien de vele woonboten. De sfeer onder de schaatsers, bijna alleen locals, was opgewekt doch minder eensgezind dan in Fryslân. Voordeel van schaatsen in Amsterdam is dat op iedere straathoek een cafeetje zit, dus de warme chocomel met slagroom is nooit ver weg. (Foto's volgen nog, ik was mijn camera vergeten doch gelukkig had mijn medeschaatser de camera bij zich.)

Gisteren (zaterdag) was ik op uitnodiging van vrienden in Zwolle. Het was (als echte schaatspioniers) even zoeken voordat we beschaatsbaar water hadden gevonden, maar toen konden we ook in Zwolle het ijs testen. Op zich was dat ijs prima, maar in de buurt van woonboten kraakte het soms vervaarlijk en aan de zijkanten was het als het ware los geraakt van de wal, omdat het water een centimeter of vijftien was gedaald. Al snel kwamen we in de Zwolse Grachtentocht terecht. Het rondje over de Zwolse gracht was prima verzorgd qua entourage. Om de paar honderd meter (live) muziek en ander vermaak, inclusief een verplicht klûnstuk. De ijskwaliteit was bedenkelijk (maar wat wil je ook met zo veel mensen per zo weinig ruimte) en er was maar matig geveegd. Grootste nadeel was het grote aantal beginners op het ijs. De ijshockeyschaatsen en kunstschaatsen waren alomtegenwoordig en het tempo lag heel laag. Het gros van de deelnemers was zichtbaar niet op zijn/haar gemak op het ijs en dat is op zich niet erg, maar het is wel jammer voor de gevorderde schaatsers die de moeite hadden genomen om te komen. Er waren zelfs mensen die het presteerden (echt waar) om tegen de stroom in te schaatsen! Wie niet op zij ging, kon op een aanrijding en/of een boze blik rekenen. Dat zijn dus dingen die je bij ons in de provincie niet snel mee zult maken.

Maar goed, de Elfstedentocht maken we niet meer mee deze winter. Jammer, want we waren er zo dicht bij. Toch is het goed dat we dit gevoel weer een keer hebben meegemaakt. Het was al veel te lang geleden dat de jonge generatie in de gelegenheid was om zo uitgebreid op natuurijs te schaatsen en dat zal ongetwijfeld zijn weerslag hebben op het niveau van de schaatssport in Nederland. De Elfstedentocht en het schaatsen zijn weer hip en nieuwe schaatskampioenen zijn deze winter voor het schaatsen gevallen. It gjit net mear oan. Toch schenk ik me nog maar een Beerenburgje in, droom nog een nachtje van de Elfstedentocht die vandaag had moeten zijn en vanaf morgen gaan we weer over op de orde van de dag. Oant de nije winter!

woensdag 8 februari 2012

Schaatskoorts (4)

"Er gaat (even) niets boven Friesland", kopte Dagblad De Pers vandaag. En zo is het. Want terwijl lang nog niet zeker is of de Elfstedentocht doorgaat, blijven de media maar schrijven over Fryslân. Zelfs GeenStijl (2), dat normaal gesproken alles buiten de ring Purmerend-Hilversum-Utrecht-Rotterdam als achtergebleven gebied beschouwt, hoopt op de tocht der tochten. En ook op Twitter wordt door Friezen en niet-Friezen over weinig anders gesproken. Ook de Friezen zelf lijken zich onderhand te realiseren dat de huidige ijssituatie zeldzaam is. Familieleden melden met het nodige gevoel voor dramatiek dat ze "verplicht" moeten schaatsen op de middelbare school (ik zou niet klagen), leerlingen in het beroepsonderwijs krijgen massaal ijsvrij en studenten in het hoger onderwijs gaan op de schaats naar de instituten. Nu de verloven van alle politieagenten èn de medewerkers van Sonnema ingetrokken zijn, men begonnen is om zwakke plekken op de elfstedenroute te versterken en de Eebrug bij Dokkum tussen 22.00 en 6.00 ’s nachts permanent open staat om de aangroei van ijs te bevorderen, lijkt die tocht een serieuze optie. Aan het ijs in het noorden van de provincie zal het niet liggen. Ik heb het vandaag uitgebreid uitgetest (en met mij vele anderen) en ik moet zeggen dat ik zelden zulk mooi natuurijs heb gezien. Er ligt een pikzwarte, megadikke ijsvloer, die spiegelglad en hartstikke schoon is. Als dat nu in het zuiden ook zo was geweest, was die Elfstedentocht gisteren al gereden. Maar ja, de zuidwesthoek is altijd al een beetje het Limburg van Friesland geweest.

Ik reed vandaag voor het eerst in mijn leven (ja, mijn week hangt van mijlpalen aan elkaar) een georganiseerde schaatstocht. De wateren rond Bartelehiem waren het decor van een mooi ritje op het ijs. Er waren door de organisatie stempelposten uitgezet in Dokkum, Burdaard, Ferwerd, Bartelehiem, Hallum en Âlde Leije. Iedere schaatser mocht zelf weten welke posten hij aandeed. In totaal besloeg het netwerk 63 kilometer. De sfeer was uiteraard gezellig, de koek en zopie (weet iemand eigenlijk wat zopie is?) vielen niet aan te slepen en het Frysk was de voertaal. Daar houd ik wel van. Op de eerste helft van de tocht (ik vertrok vanuit Dokkum) werden door de straffe oostenwind hoge snelheden behaald. De terugreis was een stuk zwaarder, maar door een mooi staaltje treintjesvorming was die ook prima te doen. Het vele schaatsen van de afgelopen dagen heeft zo langzamerhand twee markeringen achtergelaten op mijn voeten. Op de binnenkant van mijn beide voeten prijken twee blaren ter grootte van een flippo. Het schijnt niet zo’n goed idee te zijn om te schaatsen met natte binnenschoenen in je schaatsen, en natte sokken (van sneeuw en ijs, niet van zweet) werken ook al niet bevorderlijk voor de huidkwaliteit op je voeten. Gelukkig wist men bij de DA wel raad met dit probleem: de blarenpleisters van Compeed worden onder wandelaars niet voor niets “wonderpleisters” genoemd.

Ondertussen zetten de gereformeerde mannenbroeders het Christelijk geloof weer eens pal voor schut. Ene meneer Hans Kooistra uit Damwoude is een petitie begonnen om te voorkomen dat de tocht der tochten op zondag verreden wordt (dat zat er toch al niet in, want men heeft al lang gezien dat zondag het ijs nog niet overal dik genoeg is). Dat zo’n petitie een kansloze missie is staat als een paal boven water. Of dacht hij echt dat de eindbazen van de Elfstedentocht na het aanbieden van enkele honderden handtekeningen spontaan zouden besluiten de boel af te blazen? Wat dat betreft toont Arjan Plaisier, scriba van de PKN, meer realiteitszin. Hij stelde voor dat alle kerken langs de route warme chocolademelk uit gaan delen en dat lijkt mij een fantastisch initiatief. Mocht dat de gereformeerde mannen te ver gaan, laten ze dan eisen dat alle Elfstedentochtrijders de zondag na de tocht (eenmalig) ter kerke gaan. Dat is een win-win-situatie: de schaatsliefhebbers hebben hun tocht, en de kerken zitten (eenmalig) vol. En je weet nooit of er ook nog een handjevol geïnteresseerden blijft hangen.

Terwijl ik in de trein naar Amsterdam dit stukje tik, komt er een vervelend bericht binnen. Voorlopig komt er geen Elfstedentocht, maar wie weet gaat het begin volgende week weer vriezen. Vanaf vanavond zit ik een aantal dagen in onze hoofdstad. Gelukkig wordt er op de Amsterdamse grachten ook volop geschaatst. Morgen bedwing ik de Prinsengracht. Het is voor het eerst in 15 jaar dat er op de Amsterdamse grachten kan worden geschaatst, las ik. Nu nog afwachten of er Beerenburg is.

dinsdag 7 februari 2012

Schaatskoorts (3)

"Frisians, who have a reputation of surliness, are said to thaw when it freezes", zegt de Engelstalige wikipedia-pagina over de Elfstedentocht. Daar zit best een kern van waarheid in. Hoewel wij Friezen natuurlijk sowieso nooit last hebben van "surliness" (NL: stugheid), hebben wij dat in deze dagen zéker niet. Passerende schaatsers groeten elkaar vriendelijk, pauzerende schaatsers maken praatjes en zo nu en dan schaats je een stukje met een volslagen onbekende. Om de paar honderd meter verschijnen koek-en-zopiekraampjes op het ijs, waar je voor een kleine fooi een kop warme chocolademelk en rookworst kunt eten en bij iedere brug of aanlegsteiger staat voor een klein fortuin aan schoenen, die altijd keurig blijven staan tot de eigenaar weer terug is (ik heb nog nooit van iemand gehoord wiens schoenen waren verdwenen). Op het ijs verschijnen spontaan handwijzers en iedereen die een sneeuwschuiver tot zijn beschikking heeft maakt een stuk ijs vrij van sneeuw. De eerste vraag als je iemand tegen komt is niet meer "koud hè?", maar "heb je al geschaatst?" En dan moet je maar hopen dat je op die vraag bevestigend kunt antwoorden, want anders doe je niet meer mee.

Niet alleen het Friese volk wordt opnieuw ontdekt, ik ontdek ook nieuwe delen van de provincie. Zo schaats ik op kanalen en vaarten waar ik nooit eerder was, per schip noch per schaats. Voor vandaag had ik een prachtig plannetje opgevat. Ik wilde van Kollumerzwaag naar Dokkumer Nieuwe Zijlen schaatsen, daar de Lauwersmeer op gaan, bij Ezumazijl weer het binnenwater op en via Dokkum weer naar huis. Ongeveer driekwart van die route was helemaal nieuw voor mij. Het eerste deel was het zwaarst: over deels ongeveegd ijs, pal tegen de wind in. Toen dat deel er op zat was ik bij Dokkumer Nieuwe Zijlen en kwam de eerste tegenslag: de sluizen naar de Lauwersmeer waren dicht. Klunen was een optie, maar het ijs achter de sluizen zag er relatief onbeschaatst uit en ik zou bij Ezumazijl waarschijnlijk nog een keer moeten klunen. Ik besloot maar gewoon over het Dokkumer Grootdiep richting Dokkum te schaatsen, om via de Oostrumer Opfeart alsnog naar Ezumazijl te gaan. Dat bleek ook niet te kunnen, omdat de Oostrumer Opfeart een paar keer onderbroken wordt door wegen (en ik heb dus een broertje dood aan klunen).

Ik schaatste maar gewoon richting Dokkum en bij Oostrum kwam ik wat bijzonders tegen. Er blijkt daar aan het water een steenfabriek te staan die sinds 1969 (!) buiten gebruik is. Het geheel ziet er (inclusief aangemeerde schepen en oude kranen) uit alsof het sinds die tijd onaangeroerd is, en grotendeels is dat ook zo. Volgens Wikipedia is de fabriek een rijksmonument en belangrijk industrieel erfgoed. Volgens uw scribent is het vooral een bouwval. Een bijzondere, dat wel. Ik vervolgde mijn weg over de Oude Lune, de Trekvaart, Keatlingwier (daar ben ik de afgelopen drie dagen vaker geweest dan in de rest van mijn leven bij elkaar), schaatste een stukje richting Kollum en terug en daarna over de Sweacher Feart weer naar de haven (jawel) van Kollumerzwaag. Daar stonden mijn schoenen uiteraard nog keurig op mij te wachten.

Ondertussen wil iedereen geloven dat zondag de dag is. Afspraken worden afgebeld en nieuwe afspraken worden gemaakt. Jong en oud bereiden zich voor op een legendarische ervaring. Of het daadwerkelijk doorgaat is nog maar de vraag. Maar dat is van later zorg. Ik schenk me nog maar een Beerenburgje in en rijd morgen de Bartelehiemtocht. Giet it oan?

maandag 6 februari 2012

Schaatskoorts (2)

Door de aanhoudende vorst en het prachtige ijs telt in deze dagen nog maar één ding in het hoofd van menig Fries en Nederlander: schaatsen. Schaatsend over het buitenwater viel mij vanochtend op hoeveel mensen kennelijk 's maandags geen arbeids- of studieverplichtingen hebben. Iedereen lijkt vrij te hebben om zo veel mogelijk van het ijs te genieten. De winterperiode had mij niet beter uit kunnen komen. Midden in de (voor mij niet nodige) hertentamenweek tussen twee knijterzware semesters ligt er zeldzaam mooi natuurijs.

Omdat ik voor de rest toch niets te doen heb (lees: omdat er weinig dingen mooier zijn dan schaatsen op buitenijs) trok ik er vandaag weer op uit op de schaats. Met een vriend, die zijn schoolboeken nog in zijn rugtas had omdat hij rechtstreeks van zijn school naar het ijs was gekomen, sprak ik af. Ik stapte op het ijs in de uitloper bij Rijperkerk en hij op de Bonkevaart. We zouden elkaar ergens in de midden van die beide punten wel tegenkomen. Dat is achteraf bekeken natuurlijk vragen om problemen. Om kort te gaan: na een goed half uur stond hij in Âldtsjerk en ik aan de finish op de Bonkevaart. Op die finish bij de Bonkevaart had alle landelijke pers zich verzameld. Commissaris van de koningin John Jorritsma stond diverse cameraploegen te woord, toevallig passerende schaatsers werden geïnterviewd door het journaille en een meneer van het jeugdjournaal instrueerde een spelende schoolklas om toch vooral te doen alsof hij er niet was. Nadat mijn schaatsmaat en ik elkaar hadden gevonden reden we via Âldtsjerk naar Bartelehiem, inspecteerden we het bekendste windwak van de provincie en schaatsten we naar Dokkum. Dat was de eindbestemming van mijn maat, maar ik wilde nog een stuk verder naar Zwaagwesteinde. De Zwemmer was namelijk dichtgevroren en dat was zelfs vorige winter niet gebeurd.

Bij het bord "Dokkum -->" op de Trekvaart stond een stokoud mannetje op even oude schaatsen. Hij droeg een Fryslân-muts en was helemaal alleen. Ik zette hem op de foto en sprak hem aan: "Moai net?:" "It is geweldich, geweldich, geweldich", antwoordde hij. "Dat ik dit noch meimeitsje mei." We spraken over de ijskwaliteit rondom Dokkum en over hoe jammer het was dat een paar stukken mooi ijs nog niet geveegd waren. Ik vertelde hem dat ik had gezien dat er tussen Âldtsjerk en Leeuwarden werd geveegd en dat vond hij maar wat mooi, want dat "doen ze natuurlijk voor de elfstedentocht!" Dat die er mogelijk aan zat te komen vond hij ook al geweldig. Na een paar minuten gingen we weer verder. Hij vroeg me waar ik naar toe ging. Ik had nog een kilometer of 10 voor de boeg, dus hij wenste mij nog een goede reis. Hij ging precies de andere kant op en hij was binnen de kortste keren uit het zicht verdwenen.

Ondertussen lijkt een heuse elfstedentocht meer en meer realiteit te worden. Sommige media concentreren zich eerder op de vraag wannéér het evenement plaats zal vinden, dan of het überhaupt doorgaat. Nu het er op begint te lijken dat er ook na het weekend overdag vorst is, beginnen zelfs de Friezen te geloven in de zestiende editie van de tocht der tochten. De belangrijkste vragen van tegenwoordig gaan niet meer over de economische crisis, de wereldvrede en de verkiezingen in de VS, maar luiden eerder "kom ik langs hier in Dokkum?" (zowel in Âldtsjerk als in Westergeest gehoord) "Zijn de Lauwersmeer/Burgumermeer/Leeuwarder binnenwateren vertrouwd?" en "Is daar-en-daar de baan al geveegd?" Vragen, vragen...

Ik ga morgen maar eens uittesten hoe het ijs in het uiterste noordoosten van de provincie is. Ik schenk me nog een Beerenburgje in en dan ga ik dromen over klapschaatsen, tv-reportages, Mart Smeets en Fryslân als het tijdelijk middelpunt van de wereld. Giet it oan?

zondag 5 februari 2012

Schaatskoorts

Ieder jaar na twee opeenvolgende nachten vorst barst er in Friesland een vervelend virus uit: de schaatskoorts. Die koorts moet niet worden verward met de verwante elfstedenkoorts, die vaak gelijktijdig in de rest van Nederland rondwaart (maar niet in Friesland). De elfstedenkoorts heb ik nog nooit onder de leden gehad. De schaatskoorts wel. De symptomen: jeuk en nervositeit. Wanneer het er op begint te lijken dat de ijsbanen open gaan krijg ik jeuk. Bij lage temperaturen is dat al vrij snel, want na een paar dagen vorst kunnen de meeste ijsbanen wel open (zeker als er weinig sneeuwval is). Als de buitenwateren dicht beginnen te vriezen word ik ronduit nerveus. De laatste dagen was dat het geval. Gelukkig heb ik vrienden die ook zeer vatbaar zijn voor het virus.

De laatste jaren is het met buitenijs (dat wil zeggen: ijs op waterwegen en meren, niet op ijsbanen) regelmatig raak. Vorige winter was het voor het eerst van mijn leven, voor zo ver ik mij kon herinneren tenminste, mogelijk om de Dokkumer bolwerken rond te schaatsen (zeg maar de ring van Dokkum, maar dan op het water). Vrienden ondernamen vorig jaar een heroïsche schaatstocht over buitenijs, maar juist op een dag dat ik ècht niet kon. Daar heb ik tot vandaag spijt gehad als de haren op mijn hoofd. Maar vandaag was het weer zo ver: de eerste echte tocht van deze winter werd een feit. We stapten op het ijs in Kollumerzwaag, met een groep van een man of tien. We reden via Westergeest richting Dokkum, een kilometer of 12. In Dokkum vielen de eerste afvallers te betreuren. Op drie na alle lieden konden de roep van de lokale horeca niet weerstaan. Gedrieën vervolgden wij onze weg naar Leeuwarden (kilometer of 23). Daar aangekomen moesten we kiezen of we de stad in wilden gaan, of of we af wilden slaan naar de Bonkefeart. Omdat we graag via het Burgumermeer naar Zwaagwesteinde wilden besloten we tot het eerste. Dat was geen goed idee, want het ijs in de stad was nog niet betrouwbaar. Een handvol kluuntochten ten spijt vielen onze plannen pal voor het centraal station in het bevroren water. Wegens de invallende duisternis besloten we om onze onderneming te beëindigen in het aldaar gelegen pannnekoekschip. (Dat pannenkoekschip betraden wij klunend, wat ons de nodige aandacht opleverde).

Tot zo ver de schaatsavonturen van vandaag (wie nog een stukje livereporting vanaf de Dokkumer Ee wil (Friestalig, geheel in stijl) klikke hier). Toen ik thuisgekomen mijn timeline doorlas, bleek zo ongeveer het enige besproken onderwerp het schaatsen te zijn. En toen de rayonhoofden voor het eerst sinds 1997 weer bijeen werden geroepen brak het Elfstedenvirus in volle hevigheid uit. Alle relevante media stuurden een camerawagen naar de vergaderende rayonhoofden in Sint Nicolaasga. De ogen van het hele land zijn op Friesland gericht. Iedereen die doorgaans geen goed woord voor de provincie over heeft is zijn aversie op slag vergeten. Vijanden worden vrienden. Iedere huishouding ruimt bedden in voor die ex-vijanden, want aanstaande vrijdag zou een elfstedentocht mogelijk zijn. Ik maakte nog nooit mee dat er een serieuze datum voor de tocht der tochten werd geopperd. Mocht het doorgaan, dan is dat de eerste bewuste elfstedentocht voor de hele generatie van pak 'm beet 25-. Een historisch moment, mogen we wel zeggen.

Goed, misschien heb ik vandaag dan de elfstedenkoorts opgelopen. Voor het eerst in mijn leven. Morgen ga ik de Bonkefeart bedwingen, gevolg door een mooie boog door het Noorden der provinci. Ik schenk mezelf nog een Beerenburgje in. It giet oan!

vrijdag 3 februari 2012

Biologische klok

Op het moment dat ik deze zin tik staat links onder in mijn scherm de tijd: 0:10. Hoewel ik op mijn bed zit, ben ik nog lang niet moe. In dit geval is dat niet zo raar, want ik heb tot tien uur geslapen. Maar ook als ik vanochtend om zeven uur op was gestaan, de hele dag hard had gewerkt en de hele dag ontzettend gaar was, was ik nu topfit geweest. Dat heb ik al jaren. In periodes van scripties en tentamens slaap ik doorgaans tot een uur of elf, sta ik rustig op, doe 's middags wat kleine dingen, en studeer na het avondeten aan een stuk door tot een uur of twee 's nachts. Het werkt voor mij perfect. De (uiteraard heerlijk onwetenschappelijke) verklaringen kan ik wel dromen. "Jullie jeugd hebben de dag naar de nacht verschoven." "Je hebt je biologische klok verzet." De oplossingen kan ik ook wel dromen. "Je moet eens een tijd iedere dag om zeven uur opstaan en dan om tien uur weer op bed gaan." "Wacht maar tot je wat ouder bent." Dat eerste heb ik best wel een tijd geprobeerd. Ook al had ik negen uur geslapen, ik was 's ochtends als een zombie. Meestal sliep ik ronduit beroerd trouwens, als ik tenminste kon slapen. Niets werkt zo goed voor mij als 's avonds en 's nachts werken. Heerlijk vind ik het.

Een tijd geleden las ik in de Krant van Wakker Nederland (hoe toepasselijk) over een organisatie van mensen die allemaal hetzelfde probleem ervoeren: ze leefden in een ander ritme dan de maatschappij. Voor de een was dat heftiger dan de ander: sommigen konden 's ochtends moeilijk tot presteren komen, anderen hadden een ronduit omgekeerd dag en nachtritme. Wat toont wetenschappelijk onderzoek aan? Maar liefst 25% van alle mensen is avondmens. 's Ochtends presteren ze weinig, 's avonds zijn ze niet te stoppen. Dat is geen probleem, totdat ze 's ochtends verplichtingen krijgen. Dat kan een baan zijn waarbij men verplicht vroeg moet beginnen, het kan ook zijn dat er kinderen zijn die om half negen op school moeten zijn. Voor het eerste is in de vorm van Het Nieuwe Werken (flexibele werktijden en flexibele werklocaties) tegenwoordig meer en meer een oplossing. Voor het tweede niet. De school gaat nog steeds om half negen in en tentamens en examens worden om half negen afgenomen. Tijdens een Psychologievak vertelde een docent eens dat de geest van geen enkele persoon om half negen 's ochtends scherp is. Raad eens hoe laat het tentamen van dat vak was? Jawel, om half negen. De maatschappij is volledig ingericht op ochtendmensen, terwijl er meer avondmensen (25%) dan ochtendmensen (15%) zijn. Leeftijd speelt overigens ook een rol. Bijna alle kinderen zijn ochtendmensen, bijna alle adolescenten zijn avondmensen. Hoe verder men in de adolescentie komt, hoe extremer men avondmens is. De piek ligt op de leeftijd van 20 jaar (tadaa). Daarna ontwikkelt men een eigen dag en nachtritme. Wetenschappers pleiten er voor om scholen later in te laten gaan, om er voor te zorgen dat kinderen uitgerust aan de start verschijnen.

Hoe zat dat vroeger dan, vraagt u als kritische lezer. Toen leefde men zonder klok, stond men op als het licht was en ging men slapen wanneer de duisternis inviel. Dat klopt. Er zijn allerlei oorzaken aan te wijzen voor langzame verschuiving van de biologische klokken. Allereerst migratie. Groepen personen migreren van de ene tijdzone naar de ander, maar nemen hun biologische klok mee. Als tweede het kunstlicht. In de periode dat het kunstlicht zijn intrede deed werd het ook steeds normaler om 's avonds dingen te ondernemen en zijn de avonden steeds langer geworden (dit is dus geen ontwikkeling binnen één generatie, maar eeuwenlang, bijna evolutionair). Ten derde was de maatschappij vroeger veel gestructureerder en egaler. Iedereen ging op dezelfde tijd op jacht, at tegelijk en sliep tegelijk. Nu heeft iedereen zijn eigen bezigheden, die bij de een veel inspanningen in de ochtend vergen en bij de ander juist veel inspanningen in de avond.

De maatschappij is ingericht als een ochtendmaatschappij, terwijl maar 15% van alle mensen daadwerkelijk ochtendmens is. De gevolgen daarvan zijn groot. Een groot deel van alle mensen heeft een slaaptekort (zonder dat zij daar iets aan kunnen doen). Avondmensen hebben last van concentratieproblemen en maken sneller fouten. Ze hebben meer kans op hart- en vaatziekten en maag- en darmklachten en ze zijn een deel van de dag ronduit improductief. Wanneer de maatschappij zich daar op aan zou passen is de potentiële winst immens. Niet alleen is men gemiddeld veel productiever, gezonder en tevredener, ook is het fileprobleem in een keer opgelost, kan er bezuinigd worden op werkplekken en zitten er minder mensen in de ziektewet. Gelukkig is er reeds een begin gemaakt met het flexibel maken van tijd. Het Nieuwe Werken noemde ik al. Winkels zijn langer open, er komen meer scholen met flexibele openingstijden en vanuit de wetenschap klinkt meer en meer de roep om het later laten beginnen van de dag.

De maatschappij wordt langzaam wakker, maar sluimert nog. Ik sluimer zo meteen misschien ook. Mijn klok geeft 1:24 aan. Ik ben nog niet echt moe, maar ga een slaappoging wagen. Gelukkig gaat mijn wekker pas om negen uur.

donderdag 2 februari 2012

Urban Dance Squad

Ik houd van documentaires. Films kijk ik slechts incidenteel, series zeggen me niks, maar voor een goede documentaire kun je me wakker maken. Tijdens een (waarschijnlijk nachtelijke) struintocht op Youtube kwam ik ooit een tweedelige documentaire tegen over een Nederlandse band waar ik nog nooit van had gehoord. Aangezien het een documentaire van de VPRO was en die doorgaans niet de eerste de beste band nemen om een documentaire over te maken, besloot ik te gaan kijken. Sindsdien reken ik de Urban Dance Squad tot mijn favoriete bands.

Waarschijnlijk heeft u nog nooit van de Urban Dance Squad gehoord. Als u wèl van hen hebt gehoord toont dat aan dat u een goede muzieksmaak hebt òf dat u mij volgt op Twitter. Het feit dat relatief zo weinig mensen tegenwoordig bekend zijn met de band die begin jaren '90 menige popzaal en menige festivalweide compleet plat speelde geeft meteen aan met wat voor band we hier te maken hebben: een onderschatte. Wat mij betreft is de UDS de meest onderschatte band uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Het is niet voor niets dat wereldvermaarde bands als Rage Against The Machine en de Red Hot Chilli Peppers de UDS noemen als hun grootste inspiratiebronnen. Samen vormden zij de grondleggers van de grunge en de rapcore. UDS was een van de eerste rockbands met een scratcher en een rapper in de gelederen, iets wat werd overgenomen in de nu-metal (het oudere werk van Linkin' Park, die muziek). Kortom: we hebben hier te maken met een band die zowel de Nederlandse als de wereldwijde muziekscène definitief veranderde.

Maar wat maakt de band nu zo bijzonder? Als eerste het ontstaan van de band. UDS werd gevormd door vijf totaal verschillende personen, die elkaar door niets meer dan toeval ontmoetten. Tijdens een jamsessie in het (ter ziele gegane) Utrechtse poppodium De Vrije Vloer ontmoetten de mannen elkaar. Na een urenlange jamsessie werd besloten een aantal keren met elkaar te gaan spelen. Terwijl de band zichzelf nog steeds compleet niet serieus nam, speelden ze met een mix van rock, funk, rap, hardcore en ska tijdens een bandwedstrijd in Tivoli de pannen van het dak. In hun liveshows speelde de band met een energie die niet eerder was vertoond. De kranten schrijven lovende recensies en ineens stond de band in het middelpunt van de belangstelling. Er volgden radioshows, daarna uitverkochte poppodia door het hele land, mainstage-concerten op festivals als Pinkpop, Rock Werchter, Pukkelpop en Roskilde en tours in de VS, het VK en Japan. De band brengt twee CD's uit die jubelend worden ontvangen. Begin jaren '90 scoorde UDS een hit in de VS, iets wat maar een handjevol Nederlanse bands hebben gepresteerd. Na de eerste twee CD's volgt de eerste tegenslag. Scratcher DJ DNA verlaat midden in een Europese tour de band. Muzikaal trekt UDS daarna meer richting de funkrock. De albums uit die periode werden positief ontvangen, maar het succes uit de eerste periode werd niet meer geëvenaard. In 2000 werd de band opgeheven, na een carrière die omgekeerd verliep. Eerst kwam het succes, daarna pas het harde werken. Uiteindelijk gaat de band ten onder aan de grote cultuurverschillen en verschillen in muzikale achtergrond. De diversiteit waar de band in het begin zo om werd geroemd was werd later hun ondergang.

De documentaire (uit VPRO's Onrust, 1994) beschrijft de opkomst van de band op fantastische wijze. Het toont de onbevangenheid waarmee de bandleden de scène tegemoet traden, maar ook de worsteling met de vijf compleet verschillende culturele achtergronden van de bandleden, de frustratie over de ongelijke verdeling van middelen binnen de muziekwereld en de voortdurende onzekerheid over het voortbestaan van de band. In de documentaire zijn veel livebeelden verwerkt uit een show in Tivoli, begin jaren '90 (in de tijd dat crowdsurfen nog was toegestaan en er aldoor fans op het podium stonden). Het hele verhaal staat in hapjes op Youtube (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8). Ik stel voor dat jullie hem tijdens je eerstvolgende 80 vrije minuten allemaal gaan kijken.

Kijk hier naar een liveopname uit de vroege jaren (op Pinkpop 1990) en hier naar een opname uit 1994.

Klik hier voor een uitputtende biografie van UDS uit de Nederlandse Muziekencyclopedie.

dinsdag 31 januari 2012

De (meerwaarde van de) monarchie

Het jaarlijkse circus rond 31 januari neemt dezelfde vormen aan als het circus rond 5 december. Waar in de periode voor sinterklaas de pepernoten steeds eerder in de winkel liggen, zo komt rond de verjaardag van Beatrix de geruchtenstroom over een eventueel aftreden steeds eerder op gang. Wanneer de troonsafstand daadwerkelijk plaats zal vinden is met even veel geheimzinnigheid omgeven als de Wederkomst - niemand weet de dag noch de tijd. Zelfs voor de dames en heren van de hofhouding is het moment van aftreden een verrassing. Ondertussen komt van tijd tot tijd de discussie rond de toegevoegde waarde van het koningshuis op gang. Uit niet-representatief onderzoek van de auteur (2007, n=141) blijkt dat 65% van de ondervraagden voorstander is van een ander staatssysteem. Is het koningshuis nog van deze tijd?

Met de huidige vorm van staatsbestuur staat Nederland niet alleen. Er zijn in West-Europa zeven landen met een vergelijkbaar systeem (Noorwegen, Zweden, Denemarken, Engeland, Nederland, België en Spanje, andere landen met een monarchie zijn onder anderen Canada, Australië en Nieuw-Zeeland). Het koningshuis heeft volgens het eerder genoemde onwetenschappelijke onderzoek veel draagvlak onder 30+'ers (77%) (maar kent een duidelijk kleiner percentage voorstanders onder personen jonger dan 30 jaar, 25%). Over het algemeen houden de argumenten voor behoud van de monarchie iets meer steek dan men aanvankelijk zou denken.

Als eerste argument is de koningin van (grote) economische waarde voor Nederland. Tijdens officiële staatsbezoeken (enkele malen per jaar) halen de koningin en haar delegatie voor miljoenen euro's aan orders binnen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Zonder de aanwezigheid van de koningin hadden die staatsbezoeken nooit een dergelijke lading (op nationaal niveau) kunnen krijgen. Het directe economische profijt van deze staatsbezoeken is groter dan de 'kosten' voor het koningshuis in Nederland. Dit argument wordt in betogen tegen het koningshuis vaak verzwegen. Het tweede argument is een gevoelsargument. Het koningshuis heeft een grote traditie in Nederland. In 2015 bestaat het precies 200 jaar en Willem-Alexander is de achtste koning(in) der Nederlanden. Het zou jammer zijn als de traditie verloren gaat. Het derde argument is dat de koningin een grote bindende functie heeft. Mensen van allerlei soort, allochtoon of autochtoon, man of vrouw, jong of oud, laag opgeleid of hoog opgeleid: velen kunnen zich met de koningin identificeren. Dat de koning(in) een grote bindende functie heeft wordt aangetoond door de situatie in Thailand in 2006: algemeen wordt de koning toegeschreven dat hij destijds een burgeroorlog heeft voorkomen. Bij een staatsgreep stonden twee bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar, maar door verstandig optreden van de koning in samenwerking met het leger bleef de vrede behouden. Nu moet hierbij wel worden aangetekend dat de koning in Thailand wat meer directe invloed op het reilen en zeilen van het land heeft dan de koningin in Nederland.

Er worden een aantal argumenten genoemd voor de stelling dat het koningshuis afgeschaft zou moeten worden. Als eerste stelt men dat de koning(in) overbodig is, omdat zij een louter ceremoniële functie heeft. Dat is niet helemaal juist. Op een aantal manieren oefent de koningin wel degelijk invloed uit op het reilen en zeilen van de staat Nederland. Zo benoemt zij de (in)formateur(s) bij het formeren van nieuwe kabinetten, spreekt zij wekelijks met de minister-president, ondertekent ze wetten en is lid van de staten-generaal. Daarnaast staat zij officieel aan het hoofd van de AIVD en beëdigt zij nieuwe kabinetten. Het tweede veel gebruikte argument is dat het koningshuis te duur zou zijn. Het koningshuis kost inderdaad geld. Maar wat te denken van een president? Ook die heeft een ambtswoning, salaris en beveiliging nodig. Koningin Beatrix betaalt een deel van haar kosten zelf en veel van haar bezittingen zijn eigendom van de staat. Als derde argument wordt genoemd dat het koningshuis ondemocratisch zou zijn. Volgens sommigen moet het staatshoofd democratisch worden gekozen en is troonsopvolging door geboorte uit de tijd. Hier valt tegenin te brengen dat de koningin louter op papier het staatshoofd is. In de praktijk is haar invloed te klein om daadwerkelijk de machtigste persoon van een land te zijn. De (minister-)president is dat in de praktijk. En laten we wel wezen: Willem-Alexander is meer dan veertig jaar opgeleid voor het koningschap - en zo lang is nooit een president of premier in opleiding geweest.

Het zal waarschijnlijk nog jaren duren voordat er daadwerkelijk verandering in het staatsbestel komt - mocht dat überhaupt gaan gebeuren. Op dit moment is de urgentie om iets aan het systeem te veranderen gering en politieke partijen bedenken zich wel drie keer voordat zij een afwijzend standpunt innemen ten opzichte van het koninklijk huis. Tenslotte is er nog één voordeel van de monarchie wat door velen wordt vergeten. Het mooiste feestje van het jaar: Koninginnedag. Laten we eerlijk zijn: niemand wil toch dat dat feest verloren gaat.

zondag 29 januari 2012

Het voetbalveld is de wereld op z'n smalst

Na ieder weekend kun je de berichten vinden in de (lokale) media: "scheidsrechter bedreigd", "gewonde bij vechtpartij op voetbalveld", "wedstrijd gestaakt na vechtpartij". Het voetbalveld is de wereld op z'n smalst. Mannen die door de week een keurige kantoorbaan hebben, huisvader zijn en in een prima gezinsauto rijden veranderen in het weekend in normloze heerschappen die elkaar naar het leven staan. Op het veld kan een kleine overtreding, ongelukkige botsing of een grapje dat verkeerd valt kan genoeg zijn om de vlam in de pan te doen slaan. Voor je het weet staan de heren met de voorhoofden tegen elkaar, voegt men elkaar de ergste ziektes toe en moet het halve publiek er aan te pas komen om de strijdende partijen te scheiden. Opvallend is dat hoe lager een team speelt (zowel lage teams van een vereniging als de lage klasses, hoe vaker een wedstrijd uit de hand loopt. Terwijl er dus minder op het spel staat. Het verhaal gaat ook op voor wedstrijden bij de pupillen. Terwijl de 7 à 8-jarige F-junioren vrolijk achter de bal aan rennen, wordt langs de lijn regelmatig een fikse verbale en fysieke oorlog uitgevochten. Ouders gaan tekeer tegen hun kinderen, de tegenstanders, de ouders van de tegenstanders en de scheidsrechter, die doorgaans zelf ook een (oudere) junior is. Het gezonde verstand is dikwijls ver te zoeken.

Bij ons in de zaal is er een opvallende extra dimensie. Wij spelen op een niveau waar de goede jonge teams de wat lager spelende teams met oudere voetballers (+/- 30 tot 40 jaar) tegenkomen. Wanneer er twee jonge teams tegen elkaar spelen is er doorgaans niets aan de hand. Wedstrijden zijn van begin tot einde sportief met een grapje hier en daar en doorgaans een prima nazit. Wanneer er echter een of meerdere oudere senioren in een team spelen is het bijna standaard foute boel. Ik ken geen empirisch onderzoek, maar ik heb altijd vermoed dat het komt omdat oudere mannen er extra slecht tegen kunnen dat ze verliezen van junioren en neo-senioren (doorgaans winnen wij inderdaad). Dit verschijnsel is helemaal zichtbaar bij verbaal commentaar ten opzichte van de scheidsrechter. De jongeren onthouden zich doorgaans van commentaar op de leidsman, en als iemand dat even vergeet wordt die keurig op zijn plaats gezet door een teamgenoot. De oudere spelers worden echter door niemand gecorrigeerd. Zij blinken dan doorgaans ook uit in misbaar ten opzichte van de scheidsrechter, commentaar op iedere beslissing en agressie ten opzichte van de tegenstander. Persoonlijk vind ik dat de grootste rariteit van het voetbalveld. Het zijn mannen die je de volgende dag best tegen zou kunnen komen in de winkel, in de stad of op kantoor. Het kan best eens voorkomen dat een speler van middelbare leeftijd een ongeveer even oude scheidsrechter verbaal een flinke veeg uit de pan geeft, en hij hem de volgende dag pardoes tegen het lijf loopt op kantoor. Ik ben benieuwd hoe hun relatie dan nog is.

Natuurlijk geldt dit hele verhaal niet voor àlle oudere mannen (en ik beweer ook niet dat er nooit wat voorvalt onder jonge spelers), maar vaak zijn het de oudere spelers die zich het meest misdragen. Dus, mannen van middelbare leeftijd die zich herkennen in bovenstaand gedeelte: de boodschap is helder. Doe normaal op het veld, wees een voorbeeld voor de jonge spelers en voor je kinderen en gedraag je zoals je je in de gewone maatschappij ook zou gedragen. Denk niet dat je topsport bedrijft en de maatschappij gebaat is bij jouw misbaar - op ons niveau staat er nul komma nul op het spel. Kun je het niet opbrengen om je, ondanks je verstand en je leeftijd, normaal te gedragen, wees dan in elk geval nog zo wijs om je voetbalschoenen aan de wilgen te hangen.

Ik heb al eerder geopteerd om een tijdje te stoppen met het geklaag over "de jeugd van tegenwoordig" en een tijdje te letten op "de oudjes van tegenwoordig". De einddatum van dat experiment staat nog steeds op medio 2015.

vrijdag 27 januari 2012

Het boerkaverbod

Een hoop consternatie in mijn timeline vanmiddag. Het boerkaverbod is door de tweede kamer en de reacties in de publieke opinie zijn voornamelijk negatief.

Toch valt er wel wat te zeggen voor het verbod. Het verbod is geen verbod op boerka's of op islamitische symbolen, maar een verbod op gezichtsbedekkende kleding in het algemeen (denk aan bivakmutsen en brommerhelmen). Ik kan me goed voorstellen dat individuen (en ondernemers/winkelbedienden in het bijzonder) zich bedreigd voelen door de aanwezigheid van iemand in een boerka. Stel je een juwelierszaak voor, waar vlak voor sluitingstijd iemand in boerka de winkel binnenloopt, wat rondkijkt en tenslotte naar de kassa loopt. Wat denk je dan? Wat mij betreft is het terecht dat sommige mensen zich daar op zijn minst ongemakkelijk bij voelen. Er is maar een simpele zoekopdracht op google nodig om de berichten over overvallen met boerka's te vinden (1, 2, 3). Wat mij betreft is het daarom terecht dat boerka's in dezelfde categorie als bivakmutsen en brommerhelmen (op plaatsen waar die niet verplicht zijn) worden geschaard. Dat boerka's beslist een symbool van vrouwenonderdrukking zouden zijn lijkt me iets te stellig. Het zou best kunnen dat iemand vrijwillig besloten heeft een boerka te dragen, net zoals iemand vrijwillig kan besluiten om een hoofddoek, een hoed of een keppeltje te dragen. Het komt echter ook voor dat vrouwen wèl worden gedwongen om een boerka te dragen. In dat geval opteer ik het Franse systeem - een kleine boete voor de vrouw en een veel grotere boete voor de onderdrukker.

Op het argument dat boerka's een geloofsuiting zijn - en daarom vrij gedragen moeten mogen worden - valt het nodige aan te merken. In Nederland is iedereen vrij te doen wat zijn of haar geloof van diegene vraagt, zo lang men daarmee de openbare orde niet schaadt (of de wet overtreedt, maar dat is hier nog niet van belang). Naaktlopen, om maar iets te noemen, is niet toegestaan in het openbaar, ook al zou iemands geloof dat van iemand vragen. Een ander voorbeeld: ten tijde van de invoering van het rookverbod claimde een groepering dat roken als religie moest worden gezien waardoor men, zo vond men, mocht roken in openbare gelegenheden. Die groepering ving bot bij de rechter - het rookverbod in openbare gelegenheden en de volksgezondheid in het algemeen wogen zwaarder dan eventueel religieus belang.

Zelf heb ik ook een hele tijd (per ongeluk, dat wel) voor consternatie onder middenstanders gezorgd. Toen ik vorig jaar een tijd in Argentinië was was het daar winter. Ook in Argentinië is het in de winter koud, dus ik droeg een zwarte muts. Iedere keer als ik een winkel binnen liep leverde dat schichtige blikken van het winkelpersoneel op. Pas na een hele tijd hoorde ik dat het in Argentinië bij overvallen gebruikelijk was om met een muts op een winkel binnen te lopen, die pas in de winkel over de ogen te trekken en dan een wapen tevoorschijn te halen. Ik heb toen maar een beige muts (met zwart patroontje) gekocht en vanaf dat moment was het over met de angstige blikken.

Ondertussen vragen mensen zich in mijn timeline zich af of de politiek niets beters te doen heeft dan zich druk te maken over het boerkaverbod, wat maar op zo'n 150 à 200 personen in Nederland direct van invloed is. Daar zit wat in. De eurocrisis, het onderwijs, de onhoudbaarheid van het systeem van sociale zekerheid en de zorg lijken me van iets groter belang dan de verhoging van de maximumsnelheid, de dierenpolitie en het verbod op gezichtsbedekkende kleding.

donderdag 19 januari 2012

De ontzettende kortzichtigheid van Halbe Z.

De nimmer aflatende ijver van staatssecretaris Halbe Z. om zo veel mogelijk te bezuinigen op het hoger onderwijs heeft een nieuw dieptepunt bereikt. Na de langstudeerboete, de harde knip en het instellingscollegegeld op een tweede bachelor of master kwam Halbe vandaag met een volgende ronde bezuinigingen. De meest ingrijpende daarvan zijn het afschaffen van de studiefinanciering voor masterstudenten en het afschaffen van de OV-jaarkaart voor iedereen die langer dan een jaar extra over zijn studieprogramma doet. De vraag is ondertussen wat de volgende bezuinigingsslag ons zal brengen. Verdubbeling van het collegegeld? Halvering van het aantal docenten? Of gewoon opheffing van het wetenschappelijk onderwijs?

Dat bezuinigen op hoger onderwijs in deze tijd het domste is wat Nederland kan doen spreekt voor zich. Het is niet eens de vraag of de bezuinigingen er voor zullen zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs omlaag zal gaan en minder mensen zullen gaan studeren. Nederland wordt, in tijden van globalisering, een kenniseconomie. Dat ontkent niemand en daar kan ook niemand omheen. Om als kenniseconomie een rol van betekenis te spelen is het bittere noodzaak om de kwaliteit van het onderwijs zo hoog mogelijk te houden. Nadat het imago van het HBO het afgelopen jaar een flinke deuk heeft opgelopen is nu de universiteit aan de beurt. Alle maatregelen zijn extra nadelig voor WO-studenten. Technische masterstudenten zijn dubbel de pineut (1). Technische masters duren doorgaans dubbel zo lang als andere masters, terwijl er in Nederland aan afgestudeerde technische slimmeriken de meeste vraag is. Dat ingrijpende bezuinigingen en de daarmee samengaande daling van het aantal masterstudenten nul komma nul samen gaan met de ambitie om als kenniseconomie mee te doen op wereldniveau hoef ik aan niemand uit te leggen. Halbe zegt wel dat de besparing vanaf 2015 terug zal vloeien naar het hoger onderwijs, maar dat gelooft niemand (inclusief hijzelf).

In een persbericht op de site van het ministerie van OCW ("like ons op facebook!", staat er naast het bericht) stond vanmiddag een quote die perfect aangeeft hoe ver Halbe van de werkelijkheid af staat. "Dit [de bezuinigingen] prikkelt de studenten om een goede studiekeuze te maken." Die zin heb ik een paar keer gelezen, maar het staat er echt. Halbe denkt dus dat wanneer studenten weten dat ze financieel de sigaar zijn wanneer ze studievertraging oplopen (of eigenlijk al wanneer ze überhaupt gaan studeren), ze een andere keuze maken dan wanneer een verkeerde studiekeuze minder kosten met zich mee zou brengen. Met andere woorden: onder de vorige omstandigheden kozen studenten hun studie zonder daar over na te denken, maar in de toekomst gaan ze er een nachtje over slapen. Dat is natuurlijk je reinste flauwekul. Wanneer ik in 2005, toen ik de eerste echte keuze over mijn studietoekomst moest maken, had geweten dat Halbe wat plannetjes had, had ik echt geen andere keuze gemaakt dan dat ik toen (op dat moment meer dan weloverwogen) gedaan heb. Achteraf zou ik wèl een andere keuze hebben gemaakt, en op die manier vergaat het velen. Niemand kiest op voorhand opzettelijk de verkeerde studie.

Een andere zin uit het persbericht luidt "De investering [het zelf betalen van de master] betaalt zichzelf meer dan terug: studenten die een mastergraad hebben behaald verdienen gemiddeld twee keer zoveel als mensen met een diploma uit het mbo en anderhalf keer zoveel als een hbo-bachelor." Dat kan wel kloppen, maar Halbe vergeet hierbij dat die studenten dan eerst nog wel een passende baan moeten vinden. En dat dat gebeurt is lang niet zo vanzelfsprekend als dat het lijkt. Een behoorlijk deel van WO-afgestudeerden start in HBO-functies en een ander deel kan überhaupt geen baan vinden. Het is niet voor niets dat sociologen over het huidige cohort afgestudeerden spreken als 'de verloren generatie'.

Frappant in deze discussie is dat het MBO totaal buiten schot blijft (2). Het woord MBO is in alle discussies niet gevallen. MBO'ers die na hun opleiding een HBO-studie gaan volgen hebben maar liefst acht (!) jaar recht op studiefinanciering. Zowel voor hun complete MBO-programma als hun HBO-bachelor krijgen ze maandelijks geld gestort (vanaf hun 18e, dat wel (3)). Daar komt bij dat vanwege de doorgaans korte reisafstanden naar ROC's MBO-scholieren sowieso al goedkoper uit zijn (er woont bijna geen MBO'er op kamers). HBO'ers die na hun studie een WO-master gaan volgen ervaren een tegenovergestelde situatie. De benodigde pre-masters (in de studentenmond schakeljaren) kosten vanaf 2012/2013 instellingscollegegeld (+/- 5 keer zo veel als het reguliere tarief, dit plan zit nog in Halbe's koker) en voor zowel het schakeljaar als de master krijgt de student geen studiefinanciering. De kans is zeer aanwezig dat de student ook nog eens tegen een langstudeerboete van 3000 euro oploopt, want in het gehele traject zitten maar liefst drie harde knip-momenten. Ik wil niet voorstellen om studiefinanciering op MBO-opleidingen af te schaffen. Dat zou onvermijdelijk leiden tot een leegloop van het MBO en dan zijn de rapen helemaal gaar (dat dit vooral te maken heeft met de kwaliteit van het onderwijs op het MBO en het imagoprobleem waar het MBO mee te maken heeft zou Halbe overigens wel aan het denken moeten zetten). Toch moet aan deze kromme situatie wel iets worden gedaan. Misschien is het een idee om een systeem naar behoefte in te stellen. Beter nog zou zijn om de situatie MBO -> HBO gelijk te trekken met HBO -> WO en ook voor HBO'ers die een WO-master gaan doen een regeling te treffen.

Misschien zou Halbe eens naar het buitenland moeten kijken. Dat doen ministers maar zelden, las ik in 'Blinde Ambitie' van oud-minister Eduard Bomhoff. Er zijn talloze westerse landen waar hoger onderwijs gratis is, omdat men daar wel heeft begrepen dat een land naar de haaien gaat als men niet investeert in de kenniseconomie. En ja, het is waar dat er ook landen zijn (met name de VS) waar studeren bijna onbetaalbaar is. Maar dat dat helemaal een onwenselijke situatie is, is iedereen (inclusief Halbe zelf) het wel over eens. Het klopt ook dat het geld toch ergens bezuinigd zal moeten worden. Daarvoor opteer ik de JSF, de hypotheekrente en het sociale stelsel in het algemeen - die laatste is in Nederland sowieso onhoudbaar in deze tijd van vergrijzing. Het is ridicuul om de rekening van de recessie te leggen bij de jonge generatie. Nu bezuinigen op het hoger onderwijs betekent het einde van Nederland als wereldspeler op het gebied van kennis en daarmee op ieder gebied.
___
(1) Mijn dank aan @Jetzev voor deze opmerking.
(2) Ik dank @Paudwina en @ChielWestra voor hun input voor deze alinea.
(3) Voor deze aanvulling dank ik Sita en Jeanine (aanvulling via facebook)

donderdag 5 januari 2012

Rare jongens, die voorouders

Is u wel eens iets in uw koude kleren gaan zitten? Persoonlijk gesproken, als mij iets in mijn kleren zit doe ik die meestal in de was (behalve als het daar hoort te zitten, bijvoorbeeld mijn telefoon, mijn fietssleutels, de touwtjes van mijn capuchon en ikzelf). Maar zo schijnt het niet te werken, want als iets in je niet in je koude kleren gaat zitten dan blijf je daar meestal juist een hele tijd mee rondlopen. Over kleren gesproken, het schijnt voor te komen dat men iemand de kleren van het lijf vraagt. Gewone, volwassen mensen in een openbare setting. Dat is ook zoiets. Ik zou zoiets toch meer in een privé-setting vragen, als u begrijpt wat ik bedoel. En over koude gesproken: soms komen mensen van een koude kermis thuis. Zo sneu. Hier in Twijzelerheide is de kermis altijd in de eerste week van september, voor zo ver er tenminste nog een kermis is. Eigenlijk kom ik überhaupt nooit op kermissen, maar goed. In de eerste week van september mag het dan soms een beetje regenachtig zijn, koud is het bijna nooit.

Om aan te geven dat iets net voor het verstrijken van een bepaalde deadline geregeld is, zegt men dat iets 'op de valreep' in orde is gekomen, dat de trein 'op het nippertje' werd gehaald of dat iets 'kantje boord' was. Heeft u enig idee wat een nippertje is, of een valreep, of welk kantje van welke boord het hier over gaat? Iets uit de zelfde orde van raarheid: als men wil aangeven dat men iemand handelingen zag verrichten die bij wet verboden zijn, zegt men dat iemand 'op heterdaad betrapt is', dat men iemand heeft 'gesnapt' en dat iemand er 'gloeiend bij' is. Heeft u ooit een heterdaad gezien, zo ja, wat is dat dan? Als men wel snapt waarom iemand strafbare handelingen aan de dag brengt, waarom maakt men er dan zo'n stampij van? En gloeien in de zin van gloeien als een gloeilamp, dat heb ik werkelijk nog nooit iemand zien doen. Ik ben benieuwd wat voor middelen je daar voor zou moeten gebruiken.

Men zegt wel eens iets met een stalen gezicht (bijvoorbeeld in de alinea na de volgende alinea). Als een uitspraak met een stalen gezicht wordt gedaan, is dat gezicht vaak ook uitgestreken. Dat is ook raar. Een stalen gezicht, bijvoorbeeld van een standbeeld, wat spreekt. Volgens mij komt dat alleen maar voor in films, maar die had men in de tijd van onze voorouders nog niet. En een uitgestreken gezicht lijkt me bar pijnlijk. Uitgestreken, gewoon effen. Geen neus, geen oogkassen, niks. Het zal wel een straf zijn voor het feit dat men iets juist met dat uitgestreken, stalen gezicht verkondigde. Hoewel volgens de regels van de logica de volgorde van die gebeurtenissen niet klopt dan.

Kent u die uitspraak dat iemand niet het achterste van zijn tong laat zien? Wanneer iemand dat (niet) doet, wordt dat meestal als negatief ervaren. Ik zou dat juist als positief willen bestempelen. Aan de etenstafel thuis gebruikten we vaak het grapje 'ooit een ongeluk in een tunnel gezien'? Als de persoon aan wie dat werd gevraagd dan ontkennend antwoordde, lieten we wèl het achterste van onze tong zien. Voor zo ver je dat kon zien dan, want het leukste was natuurlijk wanneer je mond vol eten zat. Aangezien daar doorgaans nogal onsmakelijk op werd gereageerd concludeer ik dat wèl het achterste van je tong laten zien ook niet goed is. Als iemand hier iets op weet, laat het even weten.

Taalkundig bekeken hebben onze voorouders ons met rare uitspraken opgezadeld. Ik zie ze al zitten, hevig woorden verzinnend (à la de Jeugd van Tegenwoordig). Het zou best kunnen dat ze in kleine kring verzonnen uitdrukkingen gingen gebruiken. Met een stalen gezicht. En een plezier dat ze er stiekem in hadden! En dat de rest van de mensen die dan overnam, zo van 'het zal wel kloppen'. Voordat ze het goed en wel in de gaten hadden sprak het hele taalgebied over valrepen, nippertjes en hete daden. En omdat ze best wel trots waren op hun vondsten vertelden ze aan niemand dat die eigenlijk verzonnen waren. Ze zwegen zogezegd als het graf. Dat graven zwijgen is maar goed ook trouwens. Het zou me een mooie boel worden.

Hoe je het ook wendt of keert (dat betekent volgens mij twee keer hetzelfde), onze voorouders waren rare jongens (de lui die dit verzonnen waren inderdaad jongens, geen meisjes. De jongens verzonnen rare, al dan niet wetenschappelijke dingen (zie: Freud (e.v.a.)) en de meisjes deden het huishouden). Ze hebben bereikt jullie als lezer per persoon een minuut of vijf kwijt zijn aan het lezen van dit stukje. Als je het stukje uit hebt gelezen tenminste, waar ik eigenlijk niet vanuit ga. Indien toch, dan probs en kudos voor jou (indien iemand weet wat een prob of een kudo is, geef het ook even door).

zondag 1 januari 2012

Segent nijjier

Aan het begin van mijn studententijd wist ik het zeker: na mijn studie(s) zou ik vertrokken zijn uit het noorden. Amsterdam leek me wel wat. Anders Utrecht. Desnoods Den Haag. Maar de rest van mijn leven zou zich in elk geval niet afspelen in Twijzelerheide. Om alvast te wennen aan mijn toekomstige leefomgeving ging ik in 2009 voor een stage van een half jaar naar Amsterdam. Mijn verwachtingen over het leven in de stad kwamen wel uit - leven in Amsterdam is geweldig. Alle voorzieningen zijn op loopafstand, het openbaar vervoer is degelijk en alle plaatsen die er in Nederland toe doen zijn binnen een uur te bereiken. Toch ben ik de laatste tijd steeds meer gaan twijfelen aan mijn toekomstplannen. De mentaliteit van de Friezen is goed. De omgangsvormen in de hier omliggende dorpen zijn uniek. De Friese taal is mooi. En ik durf de stelling wel aan dat het sociale kapitaal in de dorpen hier omvangrijker is dan in de steden.

Twee keer vierde ik de jaarwisseling in Amsterdam. De eerste keer was in mijn eigen huis. Dat was behoorlijk saai. Er waren geen buren om het nieuwe jaar mee te vieren, dus riepen we van zes hoog 'gezegend nieuwjaar' naar iedereen die beneden liep. Dat leverde voornamelijk vreemde gezichten op, hoewel je dat van zo'n afstand eigenlijk niet kunt zien natuurlijk. Vuurwerk was door alle hoogbouw amper te zien en zelf vuurwerk afsteken op een balkon is ook een beetje tricky. Georganiseerde openbare feesten waren er niet, behalve het gigantische feest op het Museumplein. De tweede keer vierde ik het nieuwe jaar met vrienden op dat Museumplein. Gezellig, maar de avond bestond vooral uit opeengepakt wachten (a la club Q op tweede kerstdag, u weet wel) en het kijken naar reclame voor de hoofdsponsor. Bovendien is het feest ontzettend commercieel, massaal en verzadigd van aangeschoten toeristen. Na half één was het programma afgelopen en ging een ieder zijns weegs.

De jaarwisseling van dit jaar vierde ik oldskool in Twijzelerheide en Kollumerzwaag. De jaarwisseling in Noord-Oost Friesland kent talloze mooie gebruiken. Op oudjaarsdag wordt overal in de regio carbid geschoten. Behalve het aanvangstijdstip (vaak is oudjaarsdag nog jong als de eerste schoten worden afgevuurd) is dat een gezellig samenzijn van dorpsgenoten, van wie de meesten alleen voor de gezelligheid komen. Na twaalf uur komt iedereen de straat op om vuurwerk af te steken en de buren een gelukkig nieuwjaar te wensen. De rest van de nacht roept men naar alles wat beweegt 'segent nijjier' ('gezegend nieuwjaar') en de ontvanger roept dan altijd hetzelfde terug. Op iedere straathoek branden vreugdevuren waar alles wat brandbaar en overbodig is (auto's en caravans bijvoorbeeld) wordt opgebrand. In bijzondere gevallen, toevallig gisteravond in onze straat, schiet men carbid in een woonwijk (dat is wel een beetje link). Om een uur of één vertrekt het jonge deel van de bevolking naar sporthallen en tenten. Omdat het daar dus een komen en gaan van bekenden is, wordt een groot deel van de nacht gespendeerd aan het 'segent nijjier'-wensen, met de bijbehorende drie zoenen op de wang. Voordat je het weet wordt het weer licht en fiets je bij daglicht weer naar huis.

Het verschil tussen de jaarwisselingen in beide gebieden is dus het verschil tussen massaliteit, commercie, saaiheid, feestloosheid en, oké, slaap, versus gezelligheid, vrienden, gemeenschapszin, traditie, liefde, ontmoeting en, eerlijk is eerlijk, slaapgebrek en enige brakheid.

De beslissing over mijn toekomstige woonplaats is weer een stukje lastiger geworden.

donderdag 29 december 2011

Onderwijs

Onlangs gaf ik op mijn 'oude' hogeschool in Groningen een gastcollege over het onderwerp van mijn afstudeeronderzoek. Samen met een medestudent met wie ik veel heb samengewerkt gaf ik een twee uur durende inleiding voor vierdejaars studenten. Het was een goed samenzijn. Er was interactie, het publiek was aandachtig, het praatje klopte en het verhaal was bruikbaar in het kader van het programma van de studenten. Dat is best dankbaar en leuk werk. Toch kiezen te weinig studenten voor een baan in het onderwijs. Waarom toch?

Als antwoord op deze vraag worden vaak dezelfde drie argumenten genoemd. Ten eerste: het salaris van een docent kan niet concurreren met het salaris van een vergelijkbare positie in het bedrijfsleven. Recentelijk rekende het SCP uit dat een afgestudeerde WO'er die docent wordt, ongeveer 25% minder verdient dan een WO'er die in een commerciële functie terecht komt. Dat is een groot verschil. Een klein (negatief) verschil zou voor sommigen misschien al aanvaardbaar zijn, maar met de ambitie om de beste studenten in een onderwijsfunctie terecht te laten komen zou de salariëring aan die ambitie aangepast te worden en moeten de salarissen verder omhoog. Ten tweede: leraren moeten te veel energie steken in zaken die niet direct met lesgeven te maken hebben. Sommige basis- en middelbare school-docenten rapporteren dat zij tot de helft van hun werktijd bezig zijn met administratieve zaken die niet direct met onderwijs te maken hebben. Dat is een kwalijke zaak, want het werkt demotiverend. We leven in een cultuur van regels en bureaucratie. Daar moet iets aan gebeuren, vond het kabinet Rutte 1 bij het aantreden. (Het is nog niet helemaal duidelijk wat er van die ambitie terecht gekomen is, het is een leuk onderwerp voor een van mijn volgende stukjes.) Ten derde: door wanorde in schoolklassen is het niet aantrekkelijk om leraar te zijn. Docenten, vooral op middelbare scholen, moeten te veel voor politieagent spelen. Uit onze middelbare school-tijd kennen we allemaal wel voorbeelden van docenten die dusdanig getergd werden dat zij het onderwijs (al dan niet tijdelijk) verlieten. Maar we wisten allemaal precies bij welke leraren je de boel eens goed op stelten kon zetten en bij welke docenten je dat beslist nìet hoefde te proberen. En laten we wel wezen, die laatste categorie docenten was eigenlijk de beste. Ik ben er van overtuigd dat op dit gebied scholing aan docenten een aanzienlijk deel van de problematiek op kan lossen. Pak de krengen gedurende de eerste maanden van het schooljaar maar flink aan, dan heb van hen de rest van het jaar geen last meer.

Hoewel ik in de eerste alinea een tamelijk positieve indruk wekte over het gastcollege, was niet àlles top. Niet iedereen was even aandachtig en er was regelmatig een telefoon te zien. Eén student heeft me niet één keer aangekeken. Maar dat vergaf ik hem toen ik aan mijn eigen HBO-tijd dacht. Ik ben ooit in slaap gevallen tijdens een gastcollege, gegeven door een jonge trainee van een consultancybedrijf. En dan niet achterin de zaal (dat kwam tijdens hoorcolleges incidenteel wel vaker voor), maar op een van de voorste rijen. Dat zal voor haar niet bepaald prettig zijn geweest. Grappig voor mijn klasgenoten was het wel.

Terug naar de te geringe instroom van jonge docenten. De oplossingen liggen voor het grijpen. De salarissen voor goede jonge docenten mogen best omhoog. Nederland kan als kenniseconomie niet anders dan investeren in onderwijs, hoewel dat op dit moment niet gebeurt. De bureaucratie en regelgeving kan wel wat minder. Gelukkig werkt de overheid daar aan (als het goed is). En pak de vervelende leerlingen maar gewoon aan. Daar is niks ergs aan.

vrijdag 9 december 2011

Persoonsgebonden budget

"Ik heb ADHD", meldde een goede bekende onlangs plompverloren. Hoewel ik haar al een tijdje ken, had ik nog nooit een van de kenmerken van ADHD bij haar bespeurd. "Echt hoor", zei ze. "Soms ben ik heel erg aanwezig, doordat ik te veel praat". Zeker de helft van de meisjes in haar leeftijdscategorie, pak 'm beet van 15 tot 20 jaar, praat soms (of vaak) heel veel". Zouden die dan ook allemaal ADHD hebben? Mijn twijfels moeten zichtbaar zijn geweest, want ze ging verder. "Het is echt zo. Ik heb er zelfs een PGB voor." Toen kwam wat tussen, maar mijn interesse voor het PGB was gewekt .

Het PGB is in de huidige vorm een ingevoerd per 1 januari 2007. Het zorgt er voor dat patiënten met een lichamelijke of geestelijke aandoening zelf kunnen beslissen bij welke organisatie zij hun zorg inkopen, wie dat uitvoert en op welk tijdstip dat gebeurt. Voor de patiënt biedt dit duidelijk voordelen. Zorg is maatwerk, en de patiënt kan als klant het beste beslissen hoe hij zijn zorgtraject in wil vullen. Iedereen die een PGB wil kan bij de gemeente een budget aanvragen en vervolgens zelf zijn zorg gaan regelen.

Het PGB heeft echter ook nadelen. Behalve allerlei praktische problemen zijn dit vooral financiële problemen. Het kabinet meldde in september jongstleden het PGB grotendeels af te willen schaffen. Op de algemene beschouwingen meldde premier Rutte dat het systeem 'veel te duur' werd. Ondanks felle tegenstand van de oppositie verdwijnt het PGB daarom per 1 januari 2012. Een groot deel van de 130.000 PGB-houders zouden hun PGB (het vrij besteedbare bedrag is 2500 euro per jaar) altijd op maken, ook als ze het volle bedrag eigenlijk niet nodig hebben. Een andere oorzaak voor de hoge kosten is de inefficiëntie van het systeem. Je hoeft geen economische studie gevolgd te hebben om te kunnen bedenken dat individueel ingekochte zorg veel duurder is dan gegroepeerd ingekochte zorg, waar bovendien maximaal op is afgedongen door professionals. Tot slot meldde Elsevier in juni jongstleden dat er massaal misbruik gemaakt van het gemak waarmee een PGB kan worden aangevraagd, zowel door patiënten als door bemiddelaars en door zorgbieders. Door de geringe controle en de telefonische diagnosestelling is er een frauduleus systeem van schimmige bemiddelaars en halve criminelen ontstaan, die maar al te graag profiteren van de fouten in het systeem en de onwetendheid bij patiënten.

Het PGB-systeem is in beginsel een mooi systeem. Voor iemand die zorg op maat nodig heeft en dit zelf kan regelen is het een uitkomst. Maar als de controle (meer dan) te wensen overlaat en blijkt dat er sinds de invoering van het PGB in Nederland ineens significant meer mensen met een "psychische stoornis" rondlopen dan in het buitenland, dan is dat het failliet van het systeem.